Verb | Simple present | Present perfect | Translation
Doodverven | n/a | gedoodverfd (adjective) | -
Kielhalen | Hij kielhaalt | Hij heeft gekielhaald | to keelhaul
Rangordenen | Hij rangordent | Hij heeft gerangordend | to order by rank
Rechtvaardigen | Hij rechtvaardigt | Hij heeft gerechtvaardigd | to justify
Redetwisten | Hij redetwist | Hij heeft geredetwist | to argue, debate
Rolschaatsen | Hij rolschaatst | Hij heeft gerolschaatst | to rollerskate
Stofzuigen | Hij stofzuigt | Hij heeft gestofzuigd | to vacuum clean
Vierendelen | Hij vierendeelt | Hij heeft gevierendeeld | to quarter
Voetballen | Hij voetbalt | Hij heeft gevoetbald | to play football
Vrijwaren | Hij vrijwaart | Hij heeft gevrijwaard | to safeguard
Waarborgen | Hij waarborgt | Hij heeft gewaarborgd | to secure, guarantuee
Waarmerken | Hij waarmerkt | Hij heeft gewaarmerkt | to certify, legalize
Waarschuwen | Hij waarschuwt | Hij heeft gewaarschuwd | to warn
Wedijveren | Hij wedijvert | Hij heeft gewedijverd | to compete
Zakkenrollen | Hij zakkenrolt | Hij heeft gezakkenrold | to pickpocket
Zinspelen | Hij zinspeelt | Hij heeft gezinspeeld | To allude, to hint
Note that the examples above give you the unstressed [personal pronouns](#/lesson/Pronouns.Ps01). Some pronouns change when they are stressed in a phrase: je/jij, we/wij, ze/zij (both singular and plural).