The pluperfect works in the precise same way as the [present perfect](#/lesson/Verbs.Re13), but this time, we use the simple _past_ tense of the verbs [hebben](#/lesson/Verbs.Ir07) or [zijn](#/lesson/Verbs.Ir06) before the [past participle](#/lesson/Verbs.Re12).
ik | had/was + pp | we | hadden/waren + pp
je | had/was + pp | jullie | hadden/waren + pp
hij | had/was + pp | ze | hadden/waren + pp
- praten (to talk) and luisteren (to listen)
praten | stem: praat | luisteren | stem: luister
ik | had gepraat | ik | had geluisterd
je | had gepraat | je | had geluisterd
hij | had gepraat | hij | had geluisterd
we | hadden gepraat | we | hadden geluisterd
jullie | hadden gepraat | jullie | hadden geluisterd
ze | hadden gepraat | ze | hadden geluisterd
- vallen (to fall) and betalen (to pay)
vallen\* | stem: val | betalen | stem: betaal
ik | was gevallen | ik | had betaald
je | was gevallen | je | had betaald
hij | was gevallen | hij | had betaald
we | waren gevallen | we | hadden betaald
jullie | waren gevallen | jullie | hadden betaald
ze | waren gevallen | ze | hadden betaald
For the past participle of the [strong verb](#/lesson/Verbs.Ir03) 'vallen', we use [_zijn_](#/lesson/Verbs.Ir06).
It conjugates Dutch verbs for you in all eight tenses.
Note that the examples above give you the unstressed [personal pronouns](#/lesson/Pronouns.Ps01). Some pronouns change when they are stressed in a phrase: je/jij, we/wij, ze/zij (both singular and plural).