The future perfect is rather uncommon in Dutch. We use it if we want to say that something _will have been completed_ in the future.
For the conjugation of the future perfect, you have to combine your knowledge of the [future tense](#/lesson/Verbs.Re17) and the [perfect tense](#/lesson/Verbs.Re13). Do read these pages first, otherwise you are going to have a hard time understanding the conjugation below.
ik | zal | hebben/zijn | \+ pp
je | zult | hebben/zijn | \+ pp
hij | zal | hebben/zijn | \+ pp
we | zullen | hebben/zijn | \+ pp
jullie | zullen | hebben/zijn | \+ pp
ze | zullen | hebben/zijn | \+ pp
PP is, of course, the past participle.
- redden (to rescue) and lenen (to borrow)
redden | stem: red | lenen | stem: leen
ik | zal hebben gered | ik | zal hebben geleend
je | zal hebben gered | je | zal hebben geleend
hij | zal hebben gered | hij | zal hebben geleend
we | zullen hebben gered | we | zullen hebben geleend
jullie | zullen hebben gered | jullie | zullen hebben geleend
ze | zullen hebben gered | ze | zullen hebben geleend
- spelen (to play) and gaan (to go)
spelen | stem: speel | gaan\* | stem: ga
ik | zal hebben gespeeld | ik | zal zijn gegaan
je | zal hebben gespeeld | je | zal zijn gegaan
hij | zal hebben gespeeld | hij | zal zijn gegaan
we | zullen hebben gespeeld | we | zullen zijn gegaan
jullie | zullen hebben gespeeld | jullie | zullen zijn gegaan
ze | zullen hebben gespeeld | ze | zullen zijn gegaan
[Gaan](#/lesson/Verbs.Ir09) is an irregular verb and we use [zijn](#/lesson/Verbs.Ir06) (to be) instead of [hebben](#/lesson/Verbs.Ir07) (to have).
Note that the examples above give you the unstressed [personal pronouns](#/lesson/Pronouns.Ps01). Some pronouns change when they are stressed in a phrase: je/jij, we/wij, ze/zij (both singular and plural).