Conjugation patterns in strong verbs
Below, you will view the same verbs as mentioned in the alphabetical [list of strong verbs](#/lesson/Verbs.Ir03). This time, they are grouped by their conjugation patterns.
Regular past, past participle gets -en
For example: bannen, bande, gebannen
Verbs in this group: bakken, bannen, barsten, braden, brouwen, heten, hoeven, houwen, lachen, laden, malen, raden, scheiden, spannen, stoten, vouwen, wassen, weven.
e - ie - o, past participle gets -en
For example: bederven, bedierf, bedorven
Verbs in this group: bederven, helpen, sterven, werpen, werven, zwerven.
ie - oo - o, past participle gets -en
For example: bedriegen, bedroog, bedrogen
Verbs in this group: bedriegen, bieden, genieten, gieten, kiezen, liegen, schieten, verdrieten, vliegen.
i - o -o, past participle gets -en
For example: beginnen, begon, begonnen
Verbs in this group: beginnen, binden, blinken, dingen naar, dringen, drinken, dwingen, glimmen, klimmen, klinken, krimpen, schrikken, slinken, spinnen, springen, stinken, vinden, winden, winnen, wringen, zingen, zinken, zinnen.
ij - ee - e, past participle gets -en
For example: rijden, reed, gereden
Verbs in this group: bezwijken, bijten, blijken, blijven, drijven, glijden, grijpen, hijsen, kijken, knijpen, krijgen, lijden, lijken, mijden, neerzijgen, nijgen, prijzen, rijden, rijgen, rijten, rijzen, schijnen, schijten, schrijven, slijpen, slijten, smijten, snijden, splijten, spijten, stijgen, stijven, strijden, strijken, verdwijnen, wijken, wijten aan, wijzen, wrijven, zich kwijten van, zwijgen.
e - o - o, past participle gets -en
For example: bergen, borg, geborgen
Verbs in this group: bergen, gelden, melken, schelden, schenden, schenken, smelten, treffen, trekken, vechten, vlechten, wegen, zenden, zwelgen, zwellen, zwemmen.
e - a - o, past participle gets -en
For example: bevelen, beval, bevolen
Verbs in this group: bevelen, breken, nemen, spreken, steken, stelen.
i - a - e, past participle gets -en
For example: bidden, bad, gebeden
Verbs in this group: bidden, liggen, zitten.
a - ie - a, past participle gets -en
For example: laten, liet, gelaten
Verbs in this group: laten, slapen, vallen, verraden.
Past and past participle end in -cht
For example: brengen, bracht, gebracht
Verbs in this group: brengen, denken, kopen, zoeken.
ui - oo - o, past participle gets -en
For example: buigen, boog, gebogen
Verbs in this group: buigen, druipen, duiken, fluiten, kluiven, kruipen, ontluiken, pluizen, ruiken, schuilen, schuiven, sluipen, sluiten, snuiten, snuiven, spruiten, spuiten, stuiven, zuigen, zuipen.
a - oe - a, past participle gets -en
For example: dragen, droeg, gedragen
Verbs in this group: dragen, graven, varen.
e - a - e, past participle gets -en
For example: lezen, las, gelezen
Verbs in this group: eten, genezen, geven, lezen, meten, treden, vergeten, vreten.
a - i - a, past participle gets -en
For example: hangen, hing, gehangen
Verbs in this group: behangen, hangen, vangen.
a - oe - regular past participle
For example: jagen, joeg, gejaagd
Verbs in this group: jagen, vragen.
o(e) - ie - o(e), past participle gets -en
For example: lopen, liep, gelopen
Verbs in this group: lopen, roepen.
Past ends in -st, past participle gets -en
For example: moeten, moest, gemoeten
Verbs in this group: moeten, weten.
iez - oor - or, past participle gets -en
For example: verliezen, verloor, verloren
Verbs in this group: verliezen, vriezen.